2010-03 If I Ain’t got you

      Reacties uitgeschakeld voor 2010-03 If I Ain’t got you

Hindostaanse ouders hebben een standaardbeeld over hun kinderen. Mijn ouders vonden dat ik dokter moest worden. Als ze ziek zouden worden, dan hadden ze een dokter in huis: stabiel beroep, gezagsgetrouw, rijk. Dat is mooi meegenomen.

Als jongeman was ik vast besloten om mijn eigen weg te volgen. Ik ben socialist geworden, actief in de anti-koloniale beweging, rijk aan ideeën.

 

Als vader denk ik wel eens terug aan de wensen van mijn ouders. Ik zie ze niet meer als wensen, maar als zorgen.

Mijn dochter Pravini lijkt qua uiterlijk veel op haar moeder: beeldschoon en heel lief, maar dat vinden alle vaders van hun dochter. Qua karakter heeft ze alles van mij: eigenzinnig, rijk aan ideeën, en koppig: heel koppig. “Als je maar lang genoeg je hoofd tegen een muur stoot,” zo redeneert ze, “dan valt die muur vanzelf om.”

Mijn vrouw, die haar consequent feministisch heeft willen opvoeden, hamerde de boodschap bij haar in: “Meisje, je moet studeren, studeren en nog eens studeren. Vergeet dit nooit: je diploma is je man!”

Ik zelf houd altijd dan wijselijk mijn mond, want eigenlijk vind ik dat je met je diploma niet goed de liefde kan bedrijven.

 

Al op heel vroege leeftijd zei ze tegen mij: “Pa, ik weet wat ik wil worden!”

Ze zat op het gymnasium, had een goede vooropleiding, dus bereidde ik me voor op beroepen als econoom, arts, jurist etc.

“Zangeres, dat wil ik worden.” Ik keek op. Ik zag het voor me: rokerige zaaltjes, hosselen, en hopen op een schot in de roos temidden van honderdduizenden die hetzelfde pad volgen.

Ik moest aan mijn ouders denken: de zorg dat je kind een stabiele toekomst heeft, is een van de belangrijkste zorgen in het leven.

We hadden haar geleerd dat ze in het leven haar hart moest volgen en niet haar portemonnaie. Ik kon moeilijk anders doen dan zeggen: “Liefje, volg je hart. Ik zal je steunen in alles wat je doet.”

Ik dacht dat het wel over zou gaan als ze eenmaal ging studeren. In die tussentijd had ik ook besloten om haar te steunen in alles wat ze doet.

Ze wilde zelf muziek creëren en niet steeds liedjes van andere nazingen. In muziek legde ze haar passie en gevoelens. Vaak was ik boven op mijn computer aan het werk en was zij beneden bezig op de piano liedjes te componeren en te zingen. Als ik hoorde hoe ze haar tienerproblemen in haar tekst en muziek verwerkte, stopte ik met typen, sloot mijn ogen en luisterde naar haar stem.

 

Ik heb in haar jeugd vaker botsingen met haar gehad, en soms hele heftige. Hoe kan het ook anders met mensen met hetzelfde karakter.

 

Toen ze veertien was ging ze naar Amsterdam voor haar muziek, want ze had via internet mensen ontmoet met een studio en de belofte dat ze haar naar de top zouden brengen. Ik reed haar daar naartoe, ergens in een achterstandwijk met oude en vervallen gebouwen. Zij ging naar binnen. Ik bleef in de auto zitten. In de winter kan het best koud zijn. Maar als ze lachend naar buiten kwam, vol levenslust en passie werd ik warm van binnen.

Ik sjouwde haar piano naar de kleinere en grotere evenementen waar ze ging optreden. En soms waren die ronduit frustrerend.

Muzikanten worden wel eens ingehuurd als audio-behang bij een bijeenkomst. Ze was ooit ingehuurd voor een banenmarkt. Ze hoopte dat er toch mensen zouden zijn die echt naar haar muziek zouden luisteren. Op een gegeven moment was het zo erg, dat ze een break nam en bijna huilend haar frustraties bij me uitte. Ik nam haar in mijn armen en zei: “Lievie, al luistert er niemand naar je, weet dat er één persoon is die altijd naar je zal luisteren.” Ze besloot voor mij alleen te spelen, temidden van alle andere mensen die op de banenmarkt rondliepen. Ze zong met veel gevoel het prachtige liedje van Alicia Keys: If I ain’t got you.

Terwijl ze zong, zag ik beelden in mijn geheugen voorbij komen vanaf toen ik haar in een babyzak dicht tegen me aanhield in de dierentuin, de dagen waarop ik haar handje vasthield op het plein waar vogels neerstreken en zij vervolgens achter ze aanrende om ze te voeren en beelden van haar optredens op schoolavonden.

 

Na afloop applaudisseerde ik voor haar en het publiek applaudisseerde mee, maar in mijn applaus zat een gevoel dat hun was ontgaan.

Dat liedje is ons vader-dochter lied geworden.

Ik heb daarna nog vaak de piano gesjouwd naar soortgelijke bijeenkomst en iedere keer speelde ze voor mij alleen als anderen geen aandacht voor haar hadden.

 

Toen ze 20 werd, gaf ik haar een kado met die beelden die ik voor me zag. Ik had oude foto’s van haar verzameld en in een powerpoint gezet met daaronder het liedje van Joe Cocker You are so beautifull to me.

Ze is geen tiener meer. Ze is al lang uit huis, maar nog steeds vol passie met muziek bezig.

Soms, als ik haar aanwezigheid om me heen mis, zet ik die powerpoint op, luister naar de rauwe stem van Joe Cocker en haal de herinneringen op aan die eerste dag dat ze alleen voor mij zong.

 

Laatst was ze bij me voor quality time, even een tijd alleen voor een vader en dochter moment. Ze vroeg me: “Pa, als ik ooit ga trouwen, wil ik de avond openen met een dans met jou alleen. Wat voor liedje zou jij kiezen?”

De laatste jaren ben ik into de oude Hindostaanse muziek: Rafi, Latta, Mukesh. Ik noemde Sohani raat, en Chaudevin ka Chand.

“Weet je welk liedje ik wil,” vroeg ze.

Ze antwoordde zelf: “If I ain’t got you

Ik ben opgegroeid in een macho-omgeving en vind een man die huilt gewoon een bobo is. Mijn ogen waren droog, maar er vloeiden tranen rond mijn hart.