2010-07 Mijn 8 december verhaal

      Reacties uitgeschakeld voor 2010-07 Mijn 8 december verhaal

Op 30 maart wordt de biografie van Fred Derby gepresenteerd in Suriname. Ik heb het manuscript van de auteur Edwin Marshall gelezen. In hoofdstuk 10 beschrijft hij het 8 december verhaal van Fred. Bij het lezen kwamen mijn 8 december ervaringen weer naar boven en realiseerde ik me opnieuw welke enorme impact de moorden en de wijze waarop Fred daarmee is omgegaan, hebben gehad op mijn ontwikkeling.

 

Ik heb Fred persoonlijk leren kennen na 8 december. Daarvoor stond ik als socialist kritisch tegenover hem als nationalistische voorman. In de maanden voorafgaande aan de decembermoorden had zich een explosieve situatie in Suriname ontwikkeld die ik vanaf een afstand uit Nederland volgde.

 

Ik was voorzitter van het Grenada Comité, een comité in Nederland dat steun mobiliseerde voor de revolutie op het kleine Caraïbische eiland Grenada. Bishop was kort voor de decembermoorden in Suriname geweest en had tijdens een bijeenkomst in Paramaribo geroepen: “Revolution is not a tea party”. Hij leek daarmee op te roepen om tegenstanders van de ‘revolutie’ ook militair aan te pakken.

Voor 8 december was dit een uitspraak in het rijtje van de reguliere uitspraken in het boekje van de revolutionaire retoriek. Na de moorden kreeg het een lading van legitimatie van de moorden. Mijn broer, de jurist John Baboeram [Sandew Hira is de schrijversnaam van Dew Baboeram], was ook op 8 december gemarteld en vermoord. En ik was voorzitter van het Grenada Comité.

 

Het bericht van de moord kwam op een vreemde manier tot mij. In de middag van 8 december werd ik in Nederland gebeld door een journalist die me vertelde dat hij uit kringen van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken had gehoord dat de naam van mijn broer voorkwam op een lijst van mensen die zouden zijn vermoord. Ik belde het ministerie op en vroeg naar iemand van de Suriname desk. Ik kreeg een vrouw aan de lijn. Ik vertelde wie ik was, zei dat ik gehoord had dat het ministerie beschikte over een lijst van namen van mensen die waren vermoord en vroeg direct: “Staat mij broer op die lijst?”

De dame aarzelde – het leek alsof ze de lijst langs liep – en antwoordde: “Het spijt me, maar ik kan u niets zeggen over die lijst.” Op dat moment wist ik dat het waar was.

 

Mijn broer John was een opkomend talent binnen de advocatuur. Hij was pas getrouwd, had een baby  en had net een huis laten bouwen, waarvoor hij mijn ouders – die in Nederland wonen – had uitgenodigd om die samen met hem in te zegenen. Hij had de tickets voor mijn vader en moeder betaald. Zij zouden op 9 december vanuit Nederland naar Paramaribo vliegen om het huis in te zegen, de baby te zien en met mijn broer zijn successen te vieren. Het zou ook een nieuwe fase in hun leven kunnen inleiden. Ze wilden graag terug naar Suriname om daar te wonen.

 

Gedurende de dag kwamen in Nederland berichten binnen over mensen die vermoord waren. Cubanen die daarbij betrokken waren en allerlei gruwelverhalen over lijken die langs de straten van Paramaribo lagen te rotten. Het ene verhaal was nog sensationeler dan het andere.

 

De volgende ochtend bracht ik mijn ouders naar Schiphol. Ik had ze niets verteld over mijn gesprek met het Ministerie. Op het vliegveld pakte mijn vader het dagblad De Telegraaf en zag daarin een lijst van namen waaronder die van mijn broer.   Hij was vreselijk geschokt. Ik probeerde hem gerust te stellen met de mededeling dat de Telegraaf een rechtse sensatiekrant was die je niet moest geloven. Maar de onrust was van zijn gezicht af te lezen. Ik begon de moed te verliezen, maar kon de kracht opbrengen om hem niets te vertellen en terug te reizen naar Zoetermeer. De vluchten naar Suriname waren afgelast.

 

In Zoetermeer probeerden we op allerlei manieren contact te krijgen met familie in Suriname. Uiteindelijk lukte dat. Een neef van mij was naar het mortuarium geweest en kon bevestigen dat mijn broer één van de mensen was die vermoord was. Later bleek dat hij ernstig mishandeld was: hij had een gebroken bovenkaak; zijn tanden waren naar binnen geslagen, zijn lippen waren kapot en hij had een diepe wond op zijn voorhoofd. Hij had een kogelwond bij zijn neus en een kapot gezicht.

 

Het bericht sloeg in als een bom. Mijn ouders waren volledig kapot. Toen de vluchtverbinding met Suriname was hersteld, namen zij de eerst volgende vlucht naar Suriname. Hun tickets die betaald worden door mijn broer om zijn huis te zegenen werden nu gebruikt om hun zoon te begraven. Mijn een na oudste broer die met mijn ouders meereisde, vertelde me hoe ze gedurende de hele reis elkaars handen vasthielden en huilden. Dat beeld, dat ik nooit zelf gezien heb, is voor altijd in mijn geheugen gegrift.

 

Na de begrafenis in Paramaribo kwamen ze terug in Nederland. Hun leven was voorgoed veranderd.

 

Dit persoonlijk drama voltrok zich voor mij ook binnen een politiek drama. Ik ben socialist en links. De moorden waren gepleegd in naam van een linkse revolutie, geadviseerd door een leider van de Grenadiaanse revolutie die gesteund werd door een comité waarvan ik voorzitter was. In Nederland was een klimaat ontstaan waarbij alle linkse Surinamers verdacht waren ongeacht de vraag of ze de militaire coup in Suriname steunden. Een aantal rechtse organisaties had zich verenigd in de Bevrijdingsraad onder leiding van Henk Chin A Sen. Zij waren in Nederland de stem en de kracht achter het verzet tegen de militaire dictatuur. Zij waren van plan om de dictatuur met militaire middelen te bestrijden en wilden een eenheid van alle anti-militaire krachten. Chin A Sen zou vanuit Nederland naar de Verenigde Staten afreizen en op Schiphol een persconferentie beleggen waar alle anti-militaire krachten achter een perstafel zouden zitten. Hij benaderde mij voor een gesprek. Ik ging dat gesprek aan ergens in Utrecht. Daarin werd duidelijk dat hij van plan was om een groep te organiseren die vanuit het binnenland militaire acties zouden voeren tegen de dictatuur. Ik had de keuze om mee te doen aan die strijd en hem te steunen door aanwezig te zijn op de persconferentie op Schiphol of niet mee te doen met het risico dat ik afgeschilderd zou worden als een linkse steunpilaar van het regime. Ik besloot om zijn uitnodiging af te slaan, omdat ik persé niet geassocieerd wilde worden met krachten die in mijn ogen niet streden voor democratie maar vervanging van een linkse dictatuur voor een rechtse. Chin A Sen was niet door middel van verkiezingen president geworden van Suriname.

 

In de jaren na de moorden begon ik samen te werken met Fred Derby en andere leiders van C’47. Zij lieten mij een heel andere strategie zien: de heropbouw van de arbeidersbeweging als een maatschappelijke kracht die met vreedzame middelen de militairen terug moest zien te krijgen in de kazerne. De Bevrijdingsraad maakte Fred het verwijt dat hij medeplichtigheid aan de 8 december moorden. Hun argument was dat hij de enige overlevende was en daarom medeplichtig Dat argument is niet alleen heel vals ; het is ook volstrekt immoreel en onmenselijk en kenmerkte de mentaliteit van die kringen.

 

Begin 1984 – toen de militaire dictatuur nog steeds overheersend was – liet Fred me uit Nederland halen om de Nederlandse steun aan de arbeidersbeweging te verdiepen. Tijdens een van de eerste avonden op zijn balkon vertelde hij mij het hele verhaal van wat hij had meegemaakt in Fort Zeelandia. Hij beschreef hoe mijn broer John op de avond van de moorden, toen iedereen in doodsangst verkeerde, tegen een muur van het fort stond te bidden als een devote Hindoe en meerdere malen met zijn hoofd tegen die muur sloeg. Dat verhaal was voor mij zo aangrijpend dat Jack Kross me aan het eind van de avond meenam voor een ritje door de stille nachtelijke straten van Paramaribo om bij te komen.

 

In de jaren daarna ben ik vaker bij C’47 te gast geweest en had het genoegen om te verblijven bij de familie Derby. Dorien, de echtgenote van Fred, heb ik leren kennen als een lieve zorgzame moeder die niet veel verschilt van mijn lieve moeder. Fred de huisvader was niet anders dan mijn lieve vader die de zorg voor zijn kinderen op de eerste plaats zetten. Hun kinderen met wie ik soms ’s ochtend ontbijt had, waren net zo leuk, gevat en soms ondeugend als de kinderen, die ik later zou krijgen.

 

Voor sommige Hindostanen wordt het beeld van Fred gevormd door ‘anti-Hindostaanse’ uitspraken tijdens de vroege jaren van de nationalistische beweging. Ook dat beeld is niet terecht en is gebaseerd op vijandbeelden die etnische leiders over en weer scheppen van elkaars achterban. Ik heb bij de familie Derby de gastvrijheid en warmte mogen ervaren van een Creoolse familie die sterk staat in hun Creoolse tradities. Het verschilt helemaal niet van de gastvrijheid en warmte die ik en mijn Hindostaanse ouders zouden geven aan mensen met een goed hart.

 

Maar meer dan deze persoonlijke ervaring heeft Fred mij een belangrijk inzicht bijgebracht, die een fundamentele verandering teweeg zou brengen in mijn levensbeschouwing.

In de beginjaren, toen het perspectief nog volstrekt afwezig was van een vreedzame terugtrekking van de militairen in de kazerne, heb ik met Fred een discussie gehad over gewapend verzet. Stel dat de militairen op enig moment zouden besluiten om de repressie op te voeren, vakbondsleiders te arresteren of opnieuw moorden te plegen. Stel dat de vooruitzichten op meer repressie slechter zouden worden, zou het dan niet tijd worden om na te denken over andere methoden van verzet vanuit de arbeidersbeweging? Als linkse historicus droeg ik voorbeelden aan uit de internationale geschiedenis van de arbeidersbeweging waaruit blijkt dat het mogelijk was om een gewapend apparaat op te bouwen vanuit de arbeidersklasse: politie en militairen zijn vaak arbeiders in uniform. Er zijn historische voorbeelden van hoe een inlichtingendienst op te bouwen binnen die apparaten en arbeiderskernen vanuit politie en leger te trainen en voor te bereiden voor een gewapende opstand.

De reactie van Fred was kenmerkend voor zijn diep gewortelde democratische principes: hij wilde er niets van weten. Voor hem was het volstrekt duidelijk dat de enige manier voor een succesvolle strijd met stabiele resultaten was de opbouw en versterking van een democratische arbeidersbeweging.

 

Ik heb lang en veel nagedacht over de lijn van C’47. De tekstboek strategieën uit de linkse handboeken zou ik opnieuw analyseren vanuit de ervaringen na 8 december.

 

In juli 1983 was ik in Grenada en sprak met Don Rojas, de perschef van Maurice Bishop over de december moorden. Toen al zaten ze op Grenada behoorlijk in hun maag met de moorden. In oktober 1983 vond de splitsing plaats in de New Jewel Movement, waarbij een extreem linkse stroming Maurice Bishop vermoordde en er niet voor terugdeinsde om zijn zwangere vriendin Jacqueline Kreft te vermoorden. Die splitsing werd gevolgd door de Amerikaanse invasie van het eiland.

Met twee ministers uit het kamp van Bishop, George Louison en Kenrick Radix, heb ik na de invasie in Europa gesprekken gevoerd waarbij ook de decembermoorden ter sprake kwamen. Het trauma van de splitsing en de invasie is vergelijkbaar met het trauma van 8 december.

 

In de jaren na dat gesprek met Fred ben ik gedoken in de geschiedenis van het geweldloos verzet. Ik heb de beweging van Mahatma Gandhi in India tegen de Britse overheersing en de strijd van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging onder leiding van Martin Luther King bestudeerd en ben langzamerhand tot de besliste overtuiging gekomen dat er geen andere weg is om conflicten op te lossen dan die van het geweldloze verzet.

Dat inzicht is niet in één keer tot me gekomen. Ik heb me gerealiseerd dat mijn 8 december verhaal één kant van het verhaal is. Tijdens de binnenlandse oorlog in Suriname zijn slachtoffers gevallen bij de bewoners van het binnenland en bij militairen in het leger. Iedere slachtoffer heeft een vader, moeder, broer of zuster met een eigen verhaal.

Soms worden de slachtoffers afgedaan als collateral damage, onbedoelde zijdelingse schade van een militaire actie. Voor de nabestaanden van die slachtoffer bestaat er geen collateral damage, maar uitsluitend menselijke drama’s.

 

Ik had aanvankelijk moeite om de filosofie van het geweldloze verzet uit te dragen, vooral tegenover vrienden die vanuit hun dagelijks bestaan volstrekt geen reden hebben om die filosofie aan te hangen.

Vorig jaar vroeg iemand voor wie ik veel respect heb, de Libanees Dyab Abou Jahjah, mij om een manifest te onderteken om de Palestijnse verzetsbeweging Hamas te ondersteunen. Dyab was de oprichter van de Arabisch Europese Liga (AEL), die in België bij de autoriteiten te boek stond als extremistisch en terroristisch. Ik leerde hem kennen als een zeer scherpe en intelligente progressieve moslim. Hij heeft België verlaten en keerde terug naar Libanon.

Gek genoeg was ik na het Israëlische bombardement van Gaza emotioneel ook in staat om dat te doen.

Ik ben meermalen geweest in Palestina. Ik ben geweest bij de Al Aqsa moskee in Al Quds (de Arabische naam voor Jeruzalem) en gezien hoe de Palestijnen elke dag lijden onder de Israëlische bezetting. In de West Bank heb ik meegemaakt hoe de Palestijnen dagelijkse vernederd worden door een machtig leger. In Gaza heb ik gezien hoe een grote gevangenis voor 1,5 miljoen mensen eruit ziet. Aan alle kanten worden de grenzen gecontroleerd zodat een volk verhongerd kan worden als men dat wenst.

 

Toch heb ik geweigerd om dat manifest te ondertekenen, ondanks mijn respect voor Abou Jahjah en ondanks mijn emotionele band met de Palestijnen.

Ik geloof domweg niet meer in gewelddadig verzet. Sterker nog, ik geloof dat er geen andere oplossing is voor de lange termijn dan geweldloze verzet.

Fred Derby heeft me dat pad opgestuurd waar ik nu met volle overtuiging sta. Ik ben hem daar nog steeds dankbaar voor.