2010-01 Samen alleen

      Reacties uitgeschakeld voor 2010-01 Samen alleen

Mijn zoon is weg gegaan. Negentien jaar is hij; pas afgestudeerd van het gymnasium in Den Haag, maar met veel kriebels in zijn buik. “Ik wil een jaar ertussen uit,” zei hij tegen mij en mijn vrouw. “Niet studeren, maar de wijde wereld in, liefst zo ver mogelijk van jullie. Ik wil naar Vietnam voor een paar weken en daarna naar Australië voor een paar maanden. Ik ga werken en sparen.”

Hij zei het op een lieve toon, maar het kwam niet minder hard aan. Op één of andere manier vind ik het heel moeilijk om te accepteren dat hij groot wordt. Mijn dochter is 25 en woont samen met haar vriend in Utrecht. In mijn fantasie zouden mijn kinderen altijd bij me blijven wonen, net als in een ouderwetse Hindostaanse joint family. Ik als godfather, mijn kinderen met hun gezin, vlak in de buurt, om de hoek. Hun kinderen – als ze die krijgen – ook in de buurt, zodat we onze kinderen en toekomstige kleinkinderen elke dag kunnen zien, horen en knuffelen.

 

Ik herinner me nog heel goed de dag waarop mijn dochter werd geboren. Het was hartje winter en vreselijk koud. De eerste weeën waren er, maar het duurde uren en uren. Uit verveling ging ik een boek lezen naast mijn vrouw. De zuster werd boos over zoveel onverschilligheid. Maar dat was het niet. Het was verveling.

Toen ze uit de baarmoeder kwam, werd ik heel warm van binnen. Ik voelde me heel gelukkig. Dat gevoel is nooit weggegaan. Ik heb haar altijd willen vasthouden, knuffelen, gewoon naar haar kijken als ze bezig was.

 

De dag waarop mijn zoon geboren werd, verliep heel anders. Hij kwam twee maanden te vroeg. Toen de weeën kwamen, gingen we naar het ziekenhuis: mijn vrouw, mijn dochter en ik. “Dit kan lang duren,” zei mijn vrouw. “Breng Pravini maar naar mijn zuster.”

Toen ik terugkwam, was mijn zoontje al geboren. Hij moest een tijdje in een couveuse. Ondanks de goede medische zorg, waren we altijd ongerust totdat hij helemaal op de been was.

 

Ik vind het heerlijk om naar ze te kijken. Toen ze klein waren, legde ik ze in bed en genoot van het kijken naar hoe ze sliepen. Vaak ging ik dichtbij hen liggen, rook aan hun haar, streelde hun gezicht en voelde me gewoon blij.

Vrienden van ons die gestudeerd hebben, verweten mij dat ik pedagogisch onverantwoord bezig was, omdat wij onze kinderen nog lang in ons bed heb laten slapen, tussen ons in, soms naast ons. Maar ik vond het geweldig om met ze te stoeien, kussengevechten te houden, jongleren op mijn voeten terwijl ik op mijn rug lag, vechten op bed, totdat die in elkaar zakte en brak. We hebben daarna jarenlang op een groot matras op de grond geslapen, niet uit armoede, maar uit gezelligheid.

 

Ík mis die tijden. Ik sta elke dag op met mijn kinderen in mijn gedachten en ik ga elke avond slapen met het beeld van hun gezichten in mijn hart.

Mijn zoon had nog een andere boodschap: “Als ik terugben, ga ik op kamers wonen.” Ook dat kwam hard aan. Ik had gehoopt dat hij net als zijn zus van huis uit naar college zou gaan. Die hoop is in duigen gevallen.

 

Mijn kinderen zijn uit huis.

We zijn nu samen alleen.